REGLEMENT VAN INWENDIGE ORDE.

Een reglement van inwendige orde,  opgesteld door het  bestuur,  bepaalt  de betrekkingen tussen de  leden van  Ostend Judo  Club onderling en het bestuur van die  club. Zij  heeft hiervoor haar bronnen  geput  uit  het reglement van inwendige  orde  en de  statuten van de VJF en de  BJB. De  club houdt  een exemplaar ter inzage van alle vergunninghouders.   Elk lid  moet  zich  naar  de Voorschriften van dit reglement gedragen en de onwetendheid van de bepalingen van dit reglement  zal nooit  als een verontschuldiging aanvaard worden bij  enig geschil of beslissing vanwege het Bestuur tegenover haar  leden.          
 
Art.1.  Inschrijving.
 
Bij de inschrijving betaalt men de verzekering en het lid en lesgeld  (het jaargeld),  welke twaalf kalendermaanden dekt. Betaalde bijdragen kunnen niet van de club teruggevorderd worden.  Er kan echter steeds aan nieuwe leden en aan leden die hun vergunning moeten hernieuwen,  het lidmaatschap van OJC geweigerd worden. De  leden worden slechts in het bezit gesteld van hun vergunning wanneer zij in orde zijn met het doktersonderzoek en de verschuldigde bijdragen,  zoniet wordt men ook de toegang tot de tatami en de lessen ontzegd.  (Dit wat betreft ongevallen, die zich zouden voordoen zonder dat de judoka verzekerd is,  en dit vooral tegenover derden. )
 
Art. 2 Vernieuwen en veranderen van lidmaatschap.
 
De maand en het jaar die op de vergunning voorkomen,  is de vervaldatum. Voor het begin van de maand waarin de vergunning vervalt moet het lidmaatschap vernieuwd worden.
 
Leden die van club willen veranderen, moeten hiervoor de procedure volgen  volgens het transferreglement van de VJF (Het huishoudelijk reglement is ter inzage op het secretariaat van Ostend Judo Club).
 
Art.  3.  De beoefening.
 
In het bezit van een vergunning kan men het judo beoefenen in OJC en tevens in alle aangesloten clubs van de VJF,  BJB en LFJ.   Leden van andere clubs dewelke aangesloten zijn bij de VJF,  BJB of LFJ kunnen aan de trainingen deelnemen in OJC, mits toelating van de Technisch Directeur/hoofdlesgever. Ze worden verondersteld kennis genomen te hebben van het reglement van inwendige orde. Voor het volgen van de lessen kan een bijdrage gevraagd worden.
 
Art.4.  Gedrag en houding.
 
Bij het betreden van de zaal groet men. Vooraleer men de tatami opgaat groet men eveneens. Indien de leraar reeds op de tatami aanwezig is, moet men de leraar groeten. Eenmaal in judogi moet men op de tatami blijven, er mag dus niet in judogi op de banken gespeeld worden.  Tijdens de lessen mag men alleen de tatami verlaten voor een grondige reden en met de toelating van de leraar. In de zaal, in de kleedkamer en op de tatami dient er gestreefd te worden naar de grootst mogelijke stilte,  dit  zowel vanwege de  toeschouwers als vanwege de leden.   Ten alle  tijde  kan een leraar de  toegang tot de  zaal en tot de tatami weigeren aan elk lid of toeschouwer die  zich niet gedraagt  zoals het reglement van inwendige orde voorziet en/of tegen de  regels  der wellevendheid handelt.   De  leden  moeten op tijd komen om de  lessen  tijdig te  laten  aanvangen. Waardevolle voorwerpen en geld worden niet  meegebracht naar de dojo.   Achtergelaten voorwerpen  zijn ter verantwoordelijkheid van de belanghebbenden. Roken  is verboden  in alle lokalen  (ook  in het  secretariaat).   0p de  tatami is  kauwgom verboden.
 
Art.5 Hygiëne
 
De  judogi moet  steeds  in zuivere  toestand  zijn. De nagels aan handen  en tenen moeten kort geknipt zijn. De  haren moeten  steeds  proper  zijn en lange haren, zowel van jongens als van meisjes, dienen opgebonden te worden.
Vooraleer de tatami te betreden moet men zich ontdoen van uurwerken  en andere sieraden. Elke richtlijn verstrekt door de trainer moet nageleefd worden. Stortbaden, wc's en kleedkamers zijn ter beschikking van de leden. Deze lokalen moeten steeds in propere toestand gehouden worden.
 
Art.  6.  Secretariaat
 
Leden en/of toeschouwers hebben geen toegang tot het secretariaat.    Enkel wanneer ze ertoe  uitgenodigd  worden door de bestuursleden  of wanneer ze om een geldige reden iets moeten vragen,  mogen ze het secretariaat betreden. Op geen enkele manier dient dit  een vergaderzaal te worden voor leden  noch toeschouwers.
 
Art.  7.  Vergunning en aanwezigheidskaart.
 
Elk lid moet steeds zijn vergunning en/of aanwezigheidskaart bij  zich hebben.   Bij  aanvang van de les worden ze afgehaald terwijl iedereen zich  in za-rei positie bevindt.   De leerling die de hoogste in graad is  zal de afgehaalde vergunningen afgeven op het secretariaat.  Na afloop van de les neemt ieder zijn vergunning of kaart terug. De aanwezigheidskaart heeft enerzijds tot doel, voor de ouders van de jongeren, de tegenwoordigheid van hun kinderen na te gaan en anderzijds de trainers een overzicht te geven op de gevolgde lessen van de leerling.
 
Art.  8.  Proef afleggen.
 
De examens gebeuren twee maandelijks.   De leden worden steeds bij  voorbaat in kennis gebracht op welke dag,  datum en uur het examen zal  plaatsvinden.
Voorwaarden om toegelaten te worden tot de examens:
-  De opgegeven stof kennen. 
-  De vereiste duur en aanwezigheden hebben.
-  De vereiste ouderdom bereikt hebben.
-  In regel zijn met de vergunning.
-  De toelating van de respectievelijke lesgever hebben.
De tijdsduur of het aantal gevolgde lessen kan nooit aangehaald worden als argument om het examen te mogen afleggen. Ze dienen enkel als richtlijn en ter inlichting van de trainer. Samen met de aanvraag dient steeds het examengeld betaald te worden. De kandidaat mag driemaal kansen voor zijn examengeld.
 
Art. 9. Ongevallen.
 
Indien zich  ongevallen voordoen tijdens de  les,  dient  in eerste  instantie de aanwezige  trainer verwittigd te worden. Deze  geeft  al dan niet de toelating,  naargelang de ernst van het ongeval,  aan het  lid om de tatami te verlaten. Bij  erge ongevallen waarbij doktersonderzoek of medische hulp vereist  is,  dient  men een ongevallenformulier,  klaar en duidelijk  ingevuld,  te vragen aan de  lesgever of trainer. Dit formulier dient verder  ingevuld te worden door de  geneesheer.   Het  ingevulde formulier  moet  zo vlug mogelijk opgezonden worden naar de  zetel van de VJF. Wanneer de  judoka volledig hersteld  is,  moeten alle bewijzen van genezing  of  invaliditeit,  samen  met  een briefje van de  ziekenbond,  ook opgezonden worden naar de verzekering om de  teruggave van de  kosten te krijgen.
 
Art.  10.  Houding tegenover de leraar.       
                 
Het judo uit zichzelf pleit steeds om respect voor de trainers evenals de manier waarop hij wordt aangesproken.   Dit geldt ook tegenover een trainer tijdelijk aangesteld door het bestuur van OJC. Raadgevingen van de trainer dulden geen aanmerkingen. Op geen enkele wijze wordt onbeschoft gedrag getolereerd. De functie van de trainer primeert alle graden.
 
Art.  11.  Burgerlijke verantwoordelijkheid.
 
Het bestuur is niet burgerlijk verantwoordelijk voor de gebeurlijke ongevallen van de leden die niet in orde zijn met hun vergunning.
 
Art.  12.  Verbodsbepalingen.
 
Het wordt ieder lid verboden iemand uit te dagen,  demonstraties te verrichten of wedkampen te leveren met beoefenaars van andere gevechtssporten : worstelen, catch, boks,... evenals deel te nemen aan sportmanifestaties, demonstraties of wedstrijden die zonder toestemming aan de VJF worden ingericht. In zijn gesprekken en zijn gedragingen moet de judoka jegens andere gevechtssporten zijn gewone hoffelijkheid betonen en behouden.
 
Art. 13. Onvoorzien.
 
In alle gevallen welke niet voorzien zijn in dit reglement, in het bijzonder wat orde en tucht betreft,  hebben de aanwezige trainers en bestuursleden het recht de nodige richtlijnen te geven die moeten opgevolgd worden.